Ga direct naar: Hoofdnavigatie
Ga direct naar: Inhoud

Academisch ziekenhuis Utrecht

Academisch ziekenhuis Utrecht, bestuur 1925-1980
Aanwijzingen voor de gebruiker Het bestuursarchief bestaat uit twee omvangrijke onderdelen, de archieven van de opeenvolgende stichtingsbesturen in de periode 1932-1945 en 1945-1980. Deze hebben een omvang van ca. 3, 75 resp. 9, 25 strekkende meter. Het archief van het stichtingsbestuur uit de periode 1925-1931 is veel minder omvangrijk, namelijk 0,75 meter. De archieven van de academische klinieken hebben een gezamenlijke omvang van 0, 5 meter. Men dient erop bedacht te zijn, dat de grenzen tussen de archieven van de opeenvolgende besturen niet scherp zijn getrokken. Dit betekent dat stukken over een zaak die speelde in de jaren rond die grenzen zowel in het ene, als in het andere archief geplaatst kunnen zijn. Dit is vooral afhankelijk van het feit of ze vanwege hun belang 'meegenomen' zijn door de volgende administratie. Sommige stukken waarvan de plaatsing niet geheel voor de hand liggend was, zijn door middel van een blank nummer (--) zowel in het ene, als in het andere archiefdeel beschreven. Het archief van de stichting over de periode 1925-1932 heeft een bijlage. Hierin zijn de namen van de rubrieken opgenomen uit het archiefdeel 1932-1945, waarin veel oudere stukken zijn terug te vinden. Bestuursbesluiten zijn over het algemeen terug te vinden in de series notulen van de opeenvolgende besturen, die lopen over de periode 1925-1972. Er is geen serie voorhanden van na die datum; die notulen berusten nog in het tot op heden (2002) niet overgebrachte deel van het archief. Op deze notulen bestaat geen toegang, hetgeen het zoeken lastig maakt. Voor 1959 functioneerden er een algemeen en een dagelijks bestuur naast elkaar. Het overgrote gedeelte van de correspondentie in de periode 1932-1980 is in het verleden toegankelijk gemaakt door middel van twee verschillende, zelf ontworpen rubriekenstelsels. Het eerste rubriekenstelsel dat werd toegepast in de periode 1932-1945 werkt met alfabetische trefwoorden die een rubriek karakteriseren en waar binnen alle stukken betreffende dat onderwerp in dossiers/subdossiers zijn gerangschikt. De rubriek Algemene Zaken bevat al die stukken die niet onder een nader gepreciseerd trefwoord werden geplaatst. Met name de subrubriek "diversen", een rubriek waarin per jaar al die stukken werden opgeborgen die vanwege hun geringe belang niet onder een eigen trefwoord geplaatst zijn, bevat stukken die over die reeks van jaren een beeld geven van wat er in die periode op bestuur en directie afkwam. Op dit rubriekenstelsel zijn twee eigentijdse toegangen vervaardigd. Deze toegangen zijn in het archief opgenomen onder de inv. nrs. 269-270. Het tweede rubriekenstelsel is meer systematisch van aard, hoewel ook hier de gebruiker bedacht moet zijn op een wellicht in onze ogen 'onlogische' plaatsing van stukken. In de inhoudsopgave van deze inventaris is een precieze opgave te vinden van de indeling van de verschillende archieven waaruit het bestuursarchief bestaat. Tevens bevat deze inhoudsopgave een opsomming van alle trefwoorden die in de rubriekenstelsels zijn gehanteerd: deze fungeren nu als de koppen van de hoofdstukken. De uiterlijke vorm van de stukken is niet in de beschrijvingen vermeld, aangezien het in overgrote meerderheid omslagen betreft. Alleen indien sprake is van een hiervan afwijkende uiterlijke vorm staat dit in de inventaris vermeld. In de bijlage achterin zijn de naar het archief van het regentencollege van de Verenigde Gods- en Gasthuizen verplaatste stukken beschreven.
Literatuur J.N. van der Meulen, Inventaris van het archief der Verenigde Gods- en Gasthuizen te Utrecht 1817-1925 (Utrecht 1977). J.N. van der Meulen, Inventaris van een aanvulling op het archief van het Algemeen ziekenhuis te Utrecht 1872-1924 (1929) en van het archief van de universitaire klinieken te Utrecht 1840-1924 (1949) (Utrecht 1990). Vaarwel Catharijnesingel. Een nieuw begin in 'de Uithof' uitgegeven door het Academisch Ziekenhuis Utrecht (Utrecht 1988). M.J. van Lieburg, 'Een nuttig en ten sterkste verlangd worden hospitaal'. De geschiedenis van het Academisch Ziekenhuis Utrecht (1817-1992). Rede gehouden bij de viering van het 175-jarig bestaan van het van het Academisch Ziekenhuis Utrecht op 15 mei 1992 (Rotterdam 1992).
Inventarisatie In 2000 gaf het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU) aan DOXiS documentaire informatiespecialisten opdracht tot de bewerking van het (semi-) statisch bestuursarchief. Deze opdracht hield tevens de vervaardiging van een beschrijvende inventaris in. Met de opdracht werd medio 2001 begonnen. Sanering en inventarisatie werden begeleid door de heer R. Schoonebeek van het UMCU en mw. drs. M.J.G.A. Barthels van het Utrechts archief. Na voltooiing van de bewerking medio 2002 is het archief overgebracht naar Het Utrechts Archief. Aan het begin van de bewerking bestond het statische bestuursarchief van ca. 15 strekkende meter uit twee onderdelen: - archief over de periode ca. 1919-1946. - archief over de periode ca. 1925-1980. Van beide archiefdelen was een dossierinventaris vervaardigd. Tijdens de bewerking bleken beide archieven de archieven van rechtsvoorgangers van de Raad van Bestuur van het AZU te bevatten en elkaar soms te overlappen. Het was nodig een scheiding tussen de verschillende onderdelen aan te brengen, die recht zou doen aan zowel de oude orde van het archief als aan de opeenvolging van archiefvormers. Dit voornemen bleek niet in zijn geheel te realiseren. De bestaande scheiding tussen de beide archiefonderdelen in een deel tot ca. 1945/1946 en een deel van na 1945 bleef gehandhaafd. Elk archiefdeel was geordend volgens een eigen rubriekenstelsel. In beide archiefdelen werden stukken aangetroffen die beter in het andere deel thuishoorden. Deze stukken zijn verplaatst. Dit betrof bijvoorbeeld de notulen van voor 1945, die bij de desbetreffende archiefonderdelen werden geplaatst. Dossiers die stukken bevatten die over de periodegrens heengingen zijn niet gesplitst, maar in het desbetreffende archiefdeel gelaten, met uitzondering van een enkel los stuk dat echt verkeerd op zijn plek zat. In het archief over de (aanvankelijke) periode 1919-1945/1946 bleek het mogelijk de archieven van de verschillende archiefvormers van elkaar te scheiden, evenals dat in 1936 was gebeurd, maar met iets meer precisie. De verschillende archieven waren in de dossierinventaris wel als een geheel beschreven, maar fysiek bleken de stukken goed van elkaar te onderscheiden vanwege de aanwezigheid van andere stempels, omslagen en dergelijke. Dit resulteerde in de volgende indeling: Bestuursarchief: archief van de stichting SAZU (1922) 1925-1931 (1933) archief van de stichting SAZU (1925) 1932-1945 (1952) Archieven rechtsvoorgangers: archief van het college van regenten van de Verenigde Gods- en Gasthuizen te Utrecht 1903-1924. archief van de Universitaire klinieken 1908-1930 (1931) archief van de Tijdelijke Commissie van Beheer van de Heelkundige en vrouwenklinieken der Rijksuniversiteit te Utrecht 1929-1930 (1931) archief van de Stichting Academische klinieken (1929) 1930-1931. In het archief van de eerste stichting over de periode 1925-1932 was de oude orde verloren gegaan. Dit archief was voor een gedeelte opgenomen geweest in het archief 1932-1945, voor een ander deel bestond het uit losse omslagen en stukken. De stukken die een integraal onderdeel uitmaakten van het archief van de stichting 1932-1945 zijn niet daaruit verwijderd. Wel is in een bijlage een verwijzing opgenomen naar de rubrieken waarin deze stukken te vinden zijn. Het afgescheiden gedeelte is in zijn geheel herordend volgens dezelfde systematiek als de archieven van de universitaire klinieken. De bulk van het eerste deel van het archief, namelijk het SAZU archief 1932-1945, was met uitzondering van de notulen, financiële stukken en enkele andere los aangetroffen stukken zonder enige rubrieksaanduiding geordend volgens een alfabetisch rubriekenstelsel. De alfabetische logica was niet voor 100% terug te vinden in de rubrieksaanduidingen, maar bleek wel -voor het overgrote deel- uit de letteraanduidingen op de vakken waarin de stukken in de dynamische fase werden geborgen . Archief SAZU 1932-1945, inv. nr. 269. . In de inventaris zijn de rubrieken voor het gemak van de gebruiker op alfabetische volgorde geplaatst. Dit betekende een enkele verplaatsing van een rubriek. De inwendige ordening van de dossiers in subdossiers is niet veranderd. Dit resulteert in een soms niet-chronologische opeenvolging van de beschrijvingen binnen de hoofdomschrijving. Hier heeft de oude orde geprevaleerd. Het handhaven van de oude orde betekende ook dat de jaarverslagen, die archivistisch bezien beter onder de kop 'stukken van algemeen aard' zouden thuishoren, toch binnen het rubriekenstelsel zijn gebleven. Ditzelfde geldt ook voor de rubriek 'algemene zaken -diversen', waaronder stukken van velerlei aard zijn opgeborgen, die voor de toenmalige registrator geen plaats konden vinden in een meer specifieke rubriek. De notulen, die zoals gezegd geen deel uitmaakten van het rubriekenstelsel, zijn onder de kop algemeen aan het begin geplaatst. De overige stukken, die los waren aangetroffen en die ook geen deel uitmaakten van het rubriekenstelsel, zijn beschreven na het rubrieksdeel. De oude orde van de fragmentarische oudere archieven van de rechtsvoorgangers van het toenmalige bestuur was niet meer als zodanig te herkennen. Deze archieven zijn herordend volgens het principe algemeen-bijzonder en daarbinnen volgens de onderverdeling organisme-personeel-taak. In het archief vanaf 1945 was de cesuur van 1959, veroorzaakt door de oprichting van een nieuwe stichting door alleen het Rijk, niet terug te vinden. De meeste dossiers liepen gewoon door, met uitzondering van de serie notulen. Ook het toekennen van rechtspersoonlijkheid aan het ziekenhuis in 1971 leidde wel tot een breuk in de serie notulen, maar niet in de overige archiefbestanddelen. Van het tijdens deze bewerking alsnog aanbrengen van cesuren in 1959 en 1971 is afgezien. Van enige meerwaarde voor de gebruiker zal immers geen sprake zijn. In de serie notulen is de scheiding tussen de verschillende besturen gehandhaafd. Het bestuursarchief uit de periode 1945-1980 was geordend volgens een soort van numeriek rubriekenstelsel. De afzonderlijke rubrieksbenamingen waren niet altijd te herkennen. Tijdens de bewerking zijn de verschillende rubrieken van namen voorzien en in een enkel geval nader onderverdeeld. Binnen de rubrieken was oorspronkelijk geen nadere ordening te bespeuren, ook die is tijdens de inventarisatie aangebracht. De rubrieken werden daartoe waar nodig voorzien van subrubrieken. De stukken zijn vervolgens in chronologische volgorde onder die subrubrieken geplaatst. In enkele gevallen bleek het nodig bestaande omslagen op te splitsen, met name daar waar de onderwerpen van de stukken niet met elkaar in verband stonden. Het aangetroffen deel van het archief van het Algemeen ziekenhuis onder het beheer van de regenten van de Gods- en Gasthuizen 1903-1924 zal gevoegd worden bij het reeds naar de archiefbewaarplaats van het Utrechts archief overgebrachte archief van de Gods- en Gasthuizen, waar het deel van uitmaakt. De beschrijvingen zijn vooralsnog opgenomen als bijlage bij deze inventaris. Met het archief van de Universitaire klinieken zou hetzelfde kunnen gebeuren. Van het reeds naar het Utrechts archief overgebrachte deel is een plaatsingslijst voorhanden. Hieruit blijkt dat dit archief, dat voor het overgrote deel stukken van medische aard bevat en nauwelijks bestuursstukken, zich niets aantrekt van alle wisselingen in bestuursvorm: de registers lopen door van 1925 tot 1959 . Zie in de plaatsingslijst bijvoorbeeld inv. nrs. 36-80. . In afwachting van een beslissing in relatie tot de bewerking van dit reeds overgebracht archiefdeel is het archief van de Universitaire klinieken geplaatst bij de andere rechtsvoorgangers. Tot de aan DOXiS verstrekte opdracht behoorde ook de selectie van te vernietigen stukken. De selectie is op dossier/tabniveau uitgevoerd. Bij de selectie is gebruik gemaakt van de 'Lijst van te vernietigen archiefbescheiden uit de archieven van de academische ziekenhuizen, vastgesteld op 16 januari 1986'. Diverse te vernietigen stukken zijn vanwege hun historische waarde van vernietiging uitgezonderd. De archiefbescheiden berusten in de archiefbewaarplaats van het Utrechts archief. Aldaar is het hier beschreven archief voor geïnteresseerden te raadplegen. Aan de openbaarheid zijn beperkende maatregelen gesteld om privacyredenen. Het gaat hierbij om archiefbescheiden die gegevens van nog levende personen bevatten conform AW 95 art. 15, lid 4. In het hiernavolgende overzicht zijn de inventarisnummers waarvoor deze openbaarheidsbeperking geldt opgenomen, met daarachter het jaar waarin de beperking zal zijn opgeheven. Inv.nr. jaar 295 - 2010 296 - 2011 297 - 2012 298 - 2013 299 - 2013 300 - 2014 301 - 2014 302 - 2015 303 - 2015 304 - 2016 305 - 2017 306 - 2017 307 - 2018 308 - 2018 309 - 2019 310 - 2019 311 - 2019 312 - 2023 313 - 2033 349 - 2022 350 - 2024 351 - 2022 352 - 2022 353 - 2027 355 - 2028 356 - 2027 357 - 2026 358 - 2032 359 - 2032 360 - 2028 361 - 2029 362 - 2030 365 - 2008 382 - 2012 385 - 2022 389 - 2024 390 - 2026 391 - 2027 392 - 2028 394 - 2029 399 - 2031 401 - 2033 402 - 2033 403 - 2033 404 - 2033 405 - 2033 412 - 2030 544 - 2027 608 - 2017 609 - 2017 618 - 2012 619 - 2015 620 - 2019 621 - 2025 622 - 2032 626 - 2028 629 - 2029 639 - 2032
Archief Van de vroegste geschiedenis van het archief is niets bekend. De uitbreiding van de administratie in de jaren dertig gecombineerd met ruimtegebrek in de gebouwen maakte dat het beheer van het archief een probleem werd. In 1936 heeft in het kader van de werkverschaffing een "intellectuele werkloze", de boekhouder/onderwijzer M. Rep, in drie maanden het archief van de stichting bewerkt. Van deze bewerking heeft hij verslag gedaan . Archief SAZU 1932-1947, inv. nr. 75 . Uit dit verslag blijkt dat de archieven van de stichting uit de periode 1925-1931 en de archieven van de voormalige Heelkundige- en vrouwenkliniek tot juli 1936 afzonderlijk werden bewaard. Deze archieven werden toen overgebracht naar een zolder in het hoofdgebouw van de Interne kliniek. Het plan om ook de archieven van de voormalige psychiatrisch-neurologische kliniek (PNK) naar deze zolder over te brengen strandde op de te grote afstand tussen de kliniek en de zolder, waardoor het zoeken naar gegevens van vroegere patiënten voor de medewerkers van de PNK te tijdrovend zou worden. De heer Rep bracht bij de rangschikking van de archieven de volgende splitsing aan: - archief van het Algemeen ziekenhuis onder het beheer van de regenten van de Gods- en gasthuizen tot en met 1924. - archief van de 1e stichting SAZU 1925-1931. - archief van de Heelkundige- en vrouwenkliniek 1908-1930. - archief van de Stichting Academische klinieken 1931. Hoeveel meters hij op dat moment verplaatste en welke stukken dit precies betrof is niet bekend. De verdere lotgevallen van de hierboven genoemde archieven zijn voor zover het later naar de archiefbewaarplaatsen van het Rijk en de gemeente Utrecht overgebrachte archieven betreft wel te achterhalen. Het archief van de toenmalige stichting vanaf 1932 bracht bewerker Rep over van de kelder naar een kleine kamer naast het kantoor. Mogelijk is bij deze overbrenging de staat gemaakt die verwijst naar de vakken waarin de bestuursstukken zijn opgeborgen . Archief SAZU 1932-1945, inv. nr. 269. . Hieruit blijkt dat het archief volgens een rubriekenstelsel was ingedeeld. Uit de aangegeven letteraanduiding van de rubrieken blijkt een zekere alfabetische logica, die met het uitschrijven van de namen van de rubrieken verdwijnt. Het archief is volgens dit rubriekenstelsel bijgehouden tot zeker het einde van1944 . Zie archief SAZU 1932-1945 inv. nr. 269: deze inventaris heeft een opschrift in de 1936 hand, maar de inhoud is van latere datum, van verschillende handen. De nummering klopt met de later in rood/blauw dik potlood aangebrachte nummering; deze hand (die de laatste is) beschrijft stukken tot eind 1944. . Een en ander resulteerde in een verzameling 'dossiers' en 'subdossiers', van elkaar gescheiden door talloze omslagen van ruitjespapier, die fungeerden als tabstroken. In 1954 werd in de vergadering van het dagelijks bestuur door de directeur meegedeeld dat aan de verzorging van de archieven niet de aandacht is besteed of kunnen worden die op dat moment als noodzakelijk werd gevoeld. Het raadplegen stuitte op moeilijkheden . Archief AZU 1945-1980, inv. nr. 376. . Dit betrof niet alleen het bestuursarchief, maar ook het archief van de directeur, de administrateur en de chef van de technische dienst. Teneinde in een betere beschikbaarheid van de stukken te voorzien besloot het bestuur de gepensioneerde heer Brom aan te trekken om het archief te ordenen. Van de werkzaamheden van deze persoon is geen verslag bewaard gebleven. In 1983 werd het archief van de Stichting Academisch Ziekenhuis Utrecht over de periode 1919 tot en met 1945/1946 overgedragen aan het Centraal Archief van het UMCU. Het archief was opgeborgen in 49 archiefdozen en bevatte verder nog 6 onverpakte archiefregisters. Bij de overbrenging werd een dossierinventaris meegeleverd die was opgemaakt door H. Kuipers. In die staat werd het archief bij de aanvang van de huidige bewerking door DOXiS aangetroffen. De zes onverpakte registers, volgens de inventaris betrof dit geboorten- en overlijdensregisters uit de periode 1932-1961, waren evenwel niet meer voorhanden. Het archief bevatte nog steeds de archieven van de rechtsvoorgangers van het AZU, die in 1936 door Rep als afzonderlijke eenheden waren gekwalificeerd; inmiddels waren deze archiefonderdelen met elkaar vermengd geraakt en in de beschrijvingen in de dossierinventaris niet meer als zodanig te herkennen. Van de lotgevallen van het tweede onderdeel, het archief van het bestuur over de periode vanaf 1945 tot 1980, en de vraag wanneer dit archief naar het centrale archief is overgedragen, is niets opgetekend. Het bestuursarchief bevat een aantal stukken die eigenlijk in een directiearchief zouden thuishoren. Dit blijkt uit de gebruikte stempels. Van een afzonderlijk directiearchief uit de desbetreffende periode is echter niet méér bekend dan de opmerking uit 1954 dat het archief van voor die tijd als een afzonderlijke eenheid te herkennen was. De stukken werden verpakt in omslagen in dozen aangetroffen. Ook van dit archief was een dossierinventaris voorhanden. De stukken waren eveneens geordend volgens een numerieke indeling, waarachter zich een rubriekenstelsel verschool. Opvallend was dat in dit gedeelte van het archief de notulenboeken van de rechtsvoorgangers vanaf 1925 waren opgenomen. Dit herhaalde zich later: de serie notulen vanaf 1972, met uitzondering van een aantal notulen uit de periode 1977-1982 van besloten en buitengewone vergaderingen, bevindt zich niet in dit archiefblok tot 1980, maar in het daaropvolgende. Deze notulen bleven buiten de onderhavige bewerkingsslag en konden niet in dit archief worden opgenomen. Het archief van het Algemeen ziekenhuis onder het beheer van de regenten van de Gods- en gasthuizen tot en met 1924 werd in 1925 afgesloten en in 1956 in bewaring gegeven bij het gemeentearchief (nu: Het Utrechts Archief) . J.N. van der Meulen, Inventaris van het archief der Verenigde Gods- en gasthuizen te Utrecht 1817-1925 (Utrecht 1977) 12. De in het AZU bestuursarchief aangetroffen stukken zijn vermoedelijk vanwege hun belang voor de lopende administratie bij de overgang naar de stichting 'meegenomen' en nooit meer teruggebracht. Of de door Rep aangetroffen archieven van de Heelkundige- en vrouwenkliniek alleen het restje archieven betrof dat later in het bestuursarchief werd aangetroffen of dat hierin ook de medische registratie was opgenomen is niet meer met zekerheid na te gaan. Eind jaren zeventig werd door het AZU ca. 10 meter archief uit de periode 1856-1930 overgedragen aan het Rijksarchief in de provincie Utrecht (nu: het Utrechts archief). Dit betrof voornamelijk patiëntendossiers. Men besloot vervolgens alle archiefbescheiden van vóór 1925 over te dragen aan de Gemeentelijke archiefdienst (nu: Het Utrechts Archief) . J.N. van der Meulen, Inventaris van een aanvulling op het archief van het Algemeen ziekenhuis te Utrecht 1872-1924 (1929) en van het archief van de universitaire klinieken te Utrecht 1840-1924 (1949) (Utrecht 1990) 5 e.v. . In de jaren tachtig werd dit archief vanuit het ziekenhuis nog enige malen aangevuld. In het Rijksarchief bleven de archieven van het AZU van ná 1925 bewaard. Dit betrof zowel archiefstukken van de universitaire klinieken die tot 1932 hebben bestaan als van de klinieken die vanaf 1925 tot de stichting SAZU behoorden . Zie: W.B. Heins, Plaatsingslijst van het archief van het academisch ziekenhuis te Utrecht (1912) 1925-1959 (Utrecht 1996). . Uit de plaatsingslijst van dit archief blijkt dat de medici zich weinig aantrokken van de opeenvolgende wisselingen van de beheersvorm: hun registers lopen gewoon door.
Addendum In 2009 is de inventaris van Doxis uit 2009 bewerkt. De stukken in de oorspronkelijke bijlage (stukken te plaatsen in het archief van de Vere-nigde Gods- en Gasthuizen te Utrecht 1817-1925) zijn naar voornoemde archief overge-bracht. De bijlage is daarmee komen te vervallen. Zie voor archivalia van het bestuur van het Academisch Ziekenhuis over de periode 1921-1980 ook het archief van het bestuur van het Academisch Ziekenhuis Utrecht (1921) 1970-1979 (1980) (toegangsnr. 1124-1). De stukken in de oorspronkelijke bijlage (stukken te plaatsen in het archief van de Verenigde Gods- en Gasthuizen te Utrecht 1817-1925) zijn naar voornoemde archief overgebracht. De bijlage is daarmee komen te vervallen. Utrecht, 2009
Academisch Ziekenhuis Utrecht Oprichting stichting SAZU in 1924 Op 31 december 1924 richtten rijk en gemeente gezamenlijk de stichting "Stads- en Academisch Ziekenhuis" (SAZU) op. Deze stichting kreeg het beheer opgedragen van het Algemeen Ziekenhuis. Voorheen was het beheer van het Algemeen Ziekenhuis in handen van het regentencollege van de Verenigde Gods- en Gasthuizen. Zowel het Rijk als de gemeente Utrecht financierden dit ziekenhuis. De financiële verhouding tussen deze instanties was in de loop der tijd echter zodanig ingewikkeld geworden, dat het regentencollege van de Verenigde Gods- en Gasthuizen in 1924 besloot zich terug te trekken. De nieuwe stichting kreeg als doel "de voorziening in de ziekenhuisverpleging en wat daarmee verband houdt voor zooveel deze betreft inwendige ziekten, neus- keel- en oorziekten en huid- en geslachtsziekten, een en ander zoowel ten dienste van het universitair medisch onderwijs als ten dienste van de Gemeente Utrecht" . Archief SAZU 1925-1931, inv. nr. 6. . Om dit doel te bereiken moest de nieuwe stichting een zieken- en onderwijsinrichting exploiteren. De gemeente stelde aan de stichting het bestaande gebouwencomplex aan de Catharijnesingel ter beschikking. Ook werd in de stichtingsbrief vastgelegd dat de gemeente voor een bedrag van ten hoogste fl. 600.000 het complex zou verbouwen, uitbreiden en inrichten. Aan het hoofd van de stichting stond een bestuur van elf leden, waarvan drie leden aangewezen door de minister, drie leden door de gemeente, en vijf leden aangewezen door minister en burgemeester van Utrecht gezamenlijk. De machtiging van rijk en gemeente was vereist bij belangrijke beslissingen. In de jaren 1925-1930 werden aan het ziekenhuiscomplex talrijke werkzaamheden verricht. Zo verrezen eerst een nieuw keukengebouw en een polikliniekgebouw, vervolgens een collegezaal met laboratorium, een dierenverblijf en een paviljoen voor lijders aan besmettelijke ziekten. De bestaande gebouwen werden verbeterd en uitgebreid . Archief SAZU 1925-1931, inv. nrs. 13-26. . Deze verbouwingen stonden onder directie van Gemeentewerken van Utrecht, zoals in de akte van oprichting was bepaald. Rijksklinieken Naast dit algemeen ziekenhuis functioneerden al sinds jaren de "Rijksklinieken". De bestaansreden voor deze afzonderlijke klinieken was gelegen in het feit dat door de hoogleraren gewenste verbeteringen en uitbreidingen niet gerealiseerd konden worden in het Algemeen Ziekenhuis. Daarom stichtte het rijk voor eigen rekening in 1908 eerst de Heelkundige en vrouwenkliniek (Justus van Effenstraat) en in 1913 de kliniek voor Psychiatrie en Neurologie (Nicolaas Beetsstraat). De Rijksklinieken werden rechtstreeks beheerd door het rijk. Aan het hoofd van elke kliniek stond een geneesheer-directeur die ook hoogleraar was aan de rijksuniversiteit Utrecht. In 1929 werd de algemene leiding en het beheer van de Heelkundige en vrouwenkliniek overgenomen door een Tijdelijke Commissie van Beheer, ingesteld door de minister . Archief Rijksklinieken, inv. nr. 677. . Dit was een gevolg van klachten over de toestanden in de kliniek, die bij nader onderzoek in hoge mate gedesorganiseerd bleek. Het door vele rijksvoorschriften ingeperkte beheer van de geneesheer-directeur was voor een deel overgegaan op de hoogleraren, voor een ander deel op de hoofden van de verschillende afdelingen. Centrale leiding ontbrak, waardoor talloze onoplosbare conflicten uitbraken. Reorganisatie van de rijksklinieken was noodzakelijk. Dit leidde tot de oprichting van de "Stichting Academische klinieken" door het Rijk. Deze stichting kreeg als doelstelling de "voorziening in ziekenhuisverpleging en wat daarmede verband houdt, voor zooveel deze betreft gevallen van chirurgischen, gynaecologischen, obstetrischen en psychiatrisch-neurologischen aard, een en ander ten behoeve van het universitair medisch onderwijs" . Archief Academische Klinieken, inv. nr. 684. . De stichting diende dit doel te bereiken door de exploitatie van zieken- en onderwijsinrichtingen te Utrecht onder de eenhoofdige leiding van een directeur. Het Rijk stelde de gebouwen van de voormalige Rijksklinieken ter beschikking. De nieuwe stichting kreeg een bestuur van zeven leden, benoemd door de minister. Met name de hoogleraren verzetten zich tegen deze verandering, die een aantasting van hun machtspositie betekende. De akte van oprichting van de Stichting Academische klinieken vertoont vele overeenkomsten met die van de enige jaren eerder opgerichte Stichting Stads- en Academisch ziekenhuis. Dit is niet verwonderlijk. Het voorzitterschap van de beide besturen en van de Tijdelijke commissie was in handen gelegd van een zelfde persoon: dr. C. Hoitsema. De secretaris van het bestuur van het SAZU, tevens als secretaris-rentmeester 'directeur' van het algemeen ziekenhuis, dr. L. Leydesdorff, die ook zitting had in de Tijdelijke Commissie van Beheer, werd vervolgens benoemd tot secretaris van het bestuur van de Stichting Academische klinieken en tot directeur van de klinieken. De Stichting Academische klinieken heeft maar kort een bestaan gehad. De Algemene Rekenkamer wees de minister van onderwijs en zijn collega van financiën al spoedig op het feit dat de Stichting onwettig was. Volgens de Comptabiliteitswet 1927 moest er een wet zijn die het afzonderlijke beheer van een Rijksdienst en de controle daarop door de Algemene Rekenkamer regelde. Dit was niet het geval. De minister van onderwijs was van mening dat het hier niet ging om een rijksdienst, omdat het beheer van de klinieken in handen was van een stichting. Volgens de Rekenkamer bleef het karakter van de rijksdienst behouden, zodat de comptabiliteitswet 1927 wel degelijk van toepassing bleef. Uiteindelijk besloot men tot samenvoeging van de Stichting "Stads en Academisch Ziekenhuis Utrecht" en de Stichting "Academische Klinieken". Doordat ook de gemeente Utrecht hierin participeerde was er geen sprake meer van een rijksinstelling. Oprichting nieuwe stichting SAZU in 1932 Op 31 december 1931 werd een nieuwe stichting "Stads- en academisch Ziekenhuis" opgericht, waarin het algemeen ziekenhuis en de Rijksklinieken werden opgenomen. Doelstelling en middel om dit doel te bereiken waren gelijk aan die van de eerdere stichtingen: voorzien in ziekenhuisverpleging en wat daarmee verband houdt zowel ten dienste van het universitair medisch onderwijs als ten dienste van de gemeente. De gebouwen waarover de stichting kon beschikken waren eigendom van ofwel de gemeente, ofwel het Rijk. Het bestuur was verantwoordelijk voor beheer en exploitatie van het ziekenhuis, de hoogleraren droegen zorg voor de geneeskundige behandeling van de zieken. On- en minvermogende patiënten uit de gemeente Utrecht moesten kosteloos in het ziekenhuis opgenomen worden. Het bestuur werd ingekrompen tot zes leden, aan te wijzen door de diverse belanghebbenden. Het personeel van het ziekenhuis was voor een deel in dienst van de stichting, voor een ander deel in dienst van het Rijk, bijvoorbeeld de medische staf en het vaste laboratoriumpersoneel. De leiding van het ziekenhuis was tweehoofdig. Directeur dr. G. Fabius kreeg de leiding van het ziekenhuis en was geneesheer van het personeel. Ook de opleiding van de verplegenden behoorde tot zijn taak. Bestuurssecretaris Leydesdorff was als rentmeester verantwoordelijk voor het administratieve en geldelijke beheer van de stichting. In 1938 werd Leydesdorff na het ontslag van directeur Fabius benoemd tot directeur-secretaris. De rentmeestersfunctie ging hierin op. De medische directeurszaken werden opgedragen aan een 'geneesheer' voor de keuringen en de verpleegsterszaken. In deze functie werd dr. Hulst benoemd. In de jaren dertig hadden constant verbouwingen en aanpassingen plaats om het ziekenhuis aan te passen aan de eisen van de tijd. Konden eerdere gebouwen nog vrij zorgeloos neergezet worden in de ooit ruim bemeten tuin van het ziekenhuis, nu moest gezocht worden naar een plekje voor nog een gebouw. Het ziekenhuis was een wereld op zichzelf: voor de ondersteuning van het primaire proces van de ziekenverzorging stonden een technische dienst met eigen werkplaatsen, keukens, een wasserij en een huishoudelijke dienst klaar. Ook was er een administratieve dienst die de directeur assisteerde bij de uitvoering van zijn taken. In deze periode werden op instigatie van de hoogleraren talrijke medische apparaten aangekocht, waarmee moderne behandelingen konden worden toegepast, zoals diathermie, "physische therapie" en finsentherapie. Ook röntgenafdelingen en operatiekamers werden gemoderniseerd. De verzorging van de patiënten werd eveneens uitgebreid. Naast medische zorg kwam er meer aandacht voor sociale zorg. Al in 1929 was de Sociale Dienst opgericht . Archief SAZU 1932-1945, inv. nr. 206. . Deze dienst verrichtte maatschappelijk werk. Ook kwamen er diverse advies- en consultatiebureaus bij, die niet allemaal een lang leven beschoren waren . Archief SAZU 1932-1945, inv. nrs. 207-211. . Als gemeentelijke instelling had het ziekenhuis de plicht min- en onvermogende patiënten kosteloos op te nemen en te behandelen. Deze patiënten vormden het 'onderwijsmateriaal' ten behoeve van de universiteit, maar mochten volgens de akte van oprichting niet tegen hun zin gedemonstreerd worden aan de medische studenten. De meer gegoede zieken lieten zich niet zo vaak opnemen in het ziekenhuis aan de Catharijnesingel. Om toch meer van deze profijtelijke categorie patiënten in het ziekenhuis te krijgen, werden aparte klassenafdelingen ingericht, met ruimere kamers, beter eten en langere bezoekuren . Archief SAZU 1932-1945, inv. nrs. 141-144. . Gevolgen van de tweede wereldoorlog Door het uitbreken van de tweede wereldoorlog veranderde het leven in het ziekenhuis. Ingrijpend was het gedwongen vertrek van directeur Leydesdorff en enige verpleegsters vanwege de anti-joodse maatregelen van de Duitsers. Nadat deze functie ingevuld was door interim-directeuren stelde de Duitse bezettingsmacht in 1942 een nieuwe geneesheer-directeur aan, N.S.B. lid dr. K. Keijer. Nadat eerst de voorzitter was afgetreden, stelde in 1942 ook de overige leden van het bestuur hun zetels ter beschikking. Verder brachten de Duitsers wijzigingen aan in de stichtingsbrief. Voor het ziekenhuis brak een moeilijke periode aan. De verdere ontwikkeling kwam tot stilstand. De toenemende schaarste aan allerhande materialen vergde het uiterste van de vindingrijkheid van de medewerkers, zodat de behandeling van de zieken doorgang kon vinden. Op 6 november 1944 werd de psychiatrisch-neurologische kliniek getroffen door Engelse bommen. Hierbij vonden 21 mensen, medewerkers en patiënten de dood. Eerdere bombardementen hadden wel schade aangericht, maar er waren nog niet eerder dodelijke slachtoffers te betreuren. Direct na de bevrijding in mei 1945 werd directeur Keijer ontslagen. In zijn plaats trad dr. Hulst op. Ook het door de Duitsers benoemde bestuur werd afgedankt. Onder voorzitterschap van de burgemeester van Utrecht kwam hiervoor een interim-bestuur in de plaats. In 1946 werd dit opgevolgd door een nieuw volwaardig bestuur dat rechtsgeldig was benoemd. Dr. Hulst bleef directeur. De jaren vijftig waren jaren van gestage groei. Nadat de oorlogsschade aan de gebouwen was hersteld volgde een schier eindeloze reeks verbouwingen en uitbreidingen. Een latere luchtfoto laat zien dat het complex aan de Catharijnesingel tenslotte was uitgegroeid tot een wirwar van gebouwen, waarin het werken steeds moeilijker werd . Vaarwel Catharijnesingel. Een nieuw begin in 'de Uithof'. Ed. Academisch Ziekenhuis Utrecht. Utrecht 1988. Blz.86. . Oprichting van de stichting AZU in 1959 In 1959 veranderde de beheersvorm van het ziekenhuis opnieuw. In 1954 was men op instigatie van het Rijk begonnen met de voorbereidingen voor een wijziging van de beheersvorm . Archief AZU 1945-1980, inv. nr. 317. . Op 1 januari 1957 zou namelijk van rechtswege een einde komen aan de samenwerking zoals die was vastgelegd in de akte van oprichting uit 1931. De onderhandelingen tussen de beide partners verliepen moeizaam. Op 1 juli 1959 kwam een einde aan de samenwerking tussen gemeente en Rijk. Het Rijk richtte de "Stichting Academisch Ziekenhuis" (AZU) op. In de jaren zestig stond de ontwikkeling van het ziekenhuis in het teken van de nieuwbouw. In augustus 1960 was het besluit gevallen dat de stichting nieuwbouw mocht gaan plegen in de buiten de stad gelegen 'Johannapolder', de latere Uithof . Archief AZU 1945-1980, inv. nr. 525. . Talloze plannen werden ontwikkeld, maar de uitvoering stagneerde. In afwachting van de nieuwbouw werden in deze periode geen grote verbouwingen meer aangepakt. Per 1 juli 1971 kreeg het ziekenhuis de naam "Academisch Ziekenhuis Utrecht" (AZU). Dit hield verband met de inwerkingtreding van de wet voor academische ziekenhuizen, waardoor het ziekenhuis rechtspersoonlijkheid verkreeg . Archief AZU 1945-1980, inv. nrs 319-321. . Het ziekenhuisbestuur was verantwoording schuldig aan de minister, die ook de door het bestuur vastgestelde ziekenhuisbegroting moest goedkeuren. Hangende de goedkeuring van het nieuwe bestuursreglement bevond het bestuur zich naar eigen mening sinds juli 1971 tijdelijk in een soort van overgangstoestand. Het noemde zich 'interim-bestuur' . Archief AZU 1945-1980, inv. nr. 312. . Aan deze toestand kwam in april 1972 geruisloos een einde. In 1977 was het nieuwe bestuursreglement klaar . Archief AZU 1945-1980, inv. nrs. 325-326. . Nieuwbouw in de Uithof Ondertussen breidde de ziekenhuisorganisatie zich gestaag uit. Het afstemmen van de medische, onderwijskundige, verpleegkundige en economische belangen werd in de groter wordende organisatie steeds ingewikkelder. De positie van de driehoofdige directie ten opzichte van bestuur en faculteit was niet helemaal helder . De problemen waren begonnen in de jaren zestig. Zie hiervoor onder andere: archief AZU 1945-1980, inv. nrs. 324, 358. . In de jaren zeventig werd het ziekenhuisbestuur telkens weer geconfronteerd met conflicten: met leden van de directie, met hoogleraren, met het ministerie. Ondertussen moesten de nieuwbouwplannen uitgewerkt worden in samenwerking met de academische ziekenhuizen in Leiden en Amsterdam, gecoördineerd vanuit het ministerie. Het aantal bedden waarover het ziekenhuis zou gaan beschikken bleef gedurende een reeks van jaren een heet hangijzer. Tenslotte gaf op 8 september 1978 het kabinet het groene licht voor de bouw van een ziekenhuis met 800 bedden . Archief AZU 1945-1980, inv. nr. 541. . Toen was wel duidelijk dat de verhuizing naar een nieuw gebouw niet voor het midden van de jaren tachtig te verwachten zou zijn. Dit betekende dat in het complex aan de Catharijnesingel interim-voorzieningen getroffen moesten gaan worden om het ziekenhuis door de tussenliggende jaren heen te helpen. Opheffing van de stichting AZU in 1980 In 1977 werden de roerende en onroerende goederen en zakelijke rechten van de stichting overgedragen aan de rechtspersoon "Academisch Ziekenhuis Utrecht". Nadat in 1979 ook de onroerende goederen van het Rijk aan de rechtspersoon waren overgedragen, had de oude stichting geen bestaansrecht meer: de rechtspersoon zou voorzien in hetzelfde doel dat de in 1959 opgerichte stichting beoogde. Bij bestuursbesluit van 11 juni 1980 werd dan ook besloten tot opheffing van de stichting . Archief AZU 1945-1980, inv. nr. 322. .
Datum
1 januari 1925 - 1 januari 1982
Type
  • Archief
Collectie
  • Archieven Utrecht
Ontvang onze nieuwsbrief
Tweewekelijks geven we je een overzicht van de meest interessante en relevante onderwerpen, artikelen en bronnen van dit moment.
Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sportVFonds
Contact

Herengracht 380
1016 CJ
Amsterdam

020 52 33 87 0info@oorlogsbronnen.nlPers en media